maandag 7 januari 2002

Chili & Argentinië 2002

1. Inleiding 

Over een periode van zo'n tien jaar hadden we reeds het grootste gedeelte van Europa afgereisd. We hadden steeds de gewoonte een regio of land uit te kiezen en dit vervolgens van noord naar zuid en van oost naar west te doorkruisen. We hadden gedurende al die jaren dan ook reeds de mooiste plekjes aangedaan en waren er inmiddels van overtuigd dat men helemaal niet ver moest gaan om prachtige natuur, gezelligheid en avontuur te beleven.
Desondanks wilden we nu toch ook wel eens proeven van verder gelegen oorden. Door reisverslagen in diverse motorbladen en enthousiaste voordrachten van globetrotters, begonnen we steeds meer interesse te krijgen in Zuid-Amerika. Om een eerste ervaring op te doen, leek Chili ons wel geschikt. Het land had qua natuur heel wat te bieden, was zeer gevarieerd en bovendien uitermate veilig. We beschikten over off-road motoren: het feit dat het merendeel der wegen, speciaal in het zuiden, onverhard zou zijn, schrok ons dus niet af.

2. De voorbereiding

Onze werkomstandigheden lieten ons niet toe meer dan vier weken verlof te nemen. Een goede voorbereiding om werkelijk het maximum uit deze reis te halen was dus aangewezen. We kozen voor het zomerseizoen - onze winter - en zouden vertrekken eind december. Aanvankelijk bestond onze ‘expeditie’ uit drie personen en evenveel motoren. Even later, na een werkwissel, nog slechts uit twee. Om informatie te vergaren schuimden we het internet af, bezochten we reisbeurzen en pleegden we ettelijke telefoontjes. De
beste informatie kwam echter van een jonge Chileense die we via ICQ (berichtenservice internet) vonden. Ze was werkzaam als gids in het toeristenseizoen en direct bereid ons met de voorbereiding te helpen. We zouden haar later ook ter plaatse ontmoeten.

Het grote moment brak aan... De motoren werden voor verzending naar Brussel gebracht. Daar werden ze vakkundig ingekrat om vervolgens naar Santiago de Chile te vliegen. De overbrenging zou ongeveer een week duren. Alle papieren werden door onze agent in orde gebracht. De documenten die we meekregen dienden om de motoren terug op te eisen eens we zelf ter plaatse waren. We lieten de machines achter nadat we de benzinetanks geledigd en de batterijen afgekoppeld hadden. Om de kist in hoogte te reduceren
demonteerden we ook nog de windschermpjes en de spiegels. Op hoop van zegen…

3. Santiago de Chile

Een week later reisden we zelf af. Na een tussenstop te Madrid, ging het met een rechtstreekse vlucht naar Santiago. Een enorme drukte overviel ons toen we uitcheckten. Rond de uitgang hing een massa volk en meteen werden we aangeklampt door wel tien taxivoerders. Na een partijtje afbieden stoven we weg richting stad. Naarmate we de stad naderden werd het verkeer steeds drukker en chaotischer. Ons eerste hotelletje te Santiago, was voorafgeboekt door Maria Elena, onze internet gids. Hotel Vegas lag ten oosten van de hoofdstad en op wandelafstand van het centrum. Het was een klein maar net hotelletje waar we een tweetal dagen zouden blijven. De motoren zouden na een tussenstop in Santiago, in Punta Arenas moeten belanden. We namen het besluit onze reis naar het zuiden slechts voort te zetten na positieve informatie over aankomst in Santiago.
Het weer was schitterend in de hoofdstad: een 35-tal graden Celsius. We namen uitgebreid de tijd om de stad te verkennen, enkele heerlijke maaltijden te nuttigen en te genieten van de zon op talrijke terrasjes.



Het werven van inlichtingen betreffende onze vracht verliep niet echt vlot. Hoofdzakelijk door ons gebrekkig Spaans en het gebrekkig Engels van de Chilenen, ontstonden er verschillende misverstanden en rees onze ongerustheid. Even zag het er naar uit dat onze motoren verkeerdelijk onderweg waren naar Amerika.
Maria Elena werd te hulp geroepen. Zij slaagde erin de misverstanden uit de wereld te helpen en ons zodanig te kalmeren dat we besloten alvast naar het zuiden te vliegen. Ze stelde meteen voor de binnenlandse vlucht naar Punta Arenas te boeken, hetgeen we graag aanvaardden. Een dag later waren we onderweg.

4. Punta Arenas

De vlucht bedroeg een 7-tal uren, met twee tussenstops - één te Temuco en één te Puerto Montt. Omstreeks middernacht kwamen we in Punta Arenas aan en namen we meteen een taxi naar ons hostelletje Oro Fueguino, uitgebaat door een paar leuke jongedames. Het kamertje was redelijk bescheiden en had geen vensters, de eet- en zitruimte daarentegen was zeer kleurrijk en gezellig.

Punta Arenas maakte direct een hele andere indruk op ons. Waarschijnlijk had dit ook met het weer te maken - het was hier slechts een 15-tal graden en bewolkt - maar alles leek een beetje somberder. Na een heerlijke centolla (spinkrab) en enkele pisco sours (cocktail van pisco, limoensap, gemalen ijs en opgeklopt
eiwit) was deze somberheid snel verdwenen. We genoten van een goede nachtrust.

We hadden Maria Elena moeten beloven dat we de vlucht zouden betalen, zodra we in Punta Arenas aankwamen. Dit wilden we dan ook zo snel mogelijk afhandelen. Een kleine zoektocht bracht ons tot aan het reisbureau waar een jongedame ons opwachtte en we onze schuld vereffenden.

Een dag later kregen we te horen dat de motoren aangekomen waren.

Onze agent in Brussel had ons een plaatselijk agentschap aanbevolen. We troffen er een sympathieke oudere heer, een zeer vriendelijk en gedienstig man die ons wellicht heel wat tijd bespaarde door zijn uitstekende begeleiding. Hij bracht ons met zijn wagen tot bij het hoofd van de douane en vervolgens naar de luchthaven, om al de nodige formaliteiten te vervullen. De motoren zouden de volgende morgen in zijn depot ter beschikking staan.

We waren reeds vroeg ter plaatse maar van onze motoren was nog geen spoor. Slechts een uur later reed een kleine vrachtwagen de parking op. Daar waren ze dan toch. Even hielden we de adem in toen een heftruck met veel te korte vorken aanrukte voor het lossen van de vrachtwagen. De krat werd echter behendig aan de grond gezet. Onze vrees bleek onterecht. Met veel ijver werden de kisten gedemonteerd en puzzelden we de moto's weer tezamen. Nu begon onze vakantie pas echt. We dankten de man hartelijk.


Vanaf nu was er geen tijd meer te verliezen. De vier weken zouden snel genoeg om zijn. We besloten 's namiddags naar een pinguïnkolonie te gaan kijken, ten noorden van Punta Arenas. We gaven de motoren de sporen en bereikten het reservaat anderhalf uur later. Het was een vreemd zicht de pinguïns te zien waggelen
tussen gras en duinen. Gewoonlijk zag je deze diertjes schaatsen over glad ijs in een decor van witte bergen. Hier verbleven ze echter tijdens de broedperiode. De beestjes waren verre van schuw en lieten zich uitstekend fotograferen. Even kruiste ook een skunk, een stinkdier ons pad. We reden terug naar onze hostal voor de nacht.





's Morgens bepakten we de motoren en namen we afscheid van onze gastvrouwen. We zouden vandaag nog oversteken naar La Isla Grande de Tierra del Fuego (Vuurland) en ergens halverwege Ushuaia overnachten.

5. Tierra del Fuego

We namen de ferry naar Porvenir. Vrijwel onmiddellijk nadat we tickets gekocht hadden aan de haven van Punta Arenas, konden we aan boord. De moto's werden aan een hijskraan vastgesjord en we begaven ons tussen de andere passagiers, uitsluitend Chilenen. De overtocht duurde zo'n vier uur.


Dolfijnen begroetten ons aan de overzijde. Er waaide een stevige wind op Vuurland. Hier moesten we vanaf nu gewoon aan worden, ze zou ons gedurende onze tocht verder begeleiden en het rijden enorm bemoeilijken. Het eiland was vlak en uitgestrekt, de wegen bestonden uit grind. Zo'n 140 kilometer verder bereikten we de Argentijnse grens. Benieuwd hoe de douaneformaliteiten zouden verlopen. Verrassend goed, zo bleek. Op een 15-tal minuten was alles afgehandeld en werd de slagboom voor ons geopend. Het
voorleggen van reispas en motorpapieren en het invullen van een tarjeta de turismo bleken te volstaan. We zetten verder koers naar Rio Grande, de economische hoofdstad van Tierra del Fuego aan de zuidoost kust. Van hieruit was het nog een 220 km tot Ushuaia. De nationale route nr. 3 bracht ons tot in Tolhuin, de geografische scheiding tussen het plateau van Vuurland en de bergketen van het zuidelijk schiereiland. We doken de bossen in en grindwegen maakten plaats voor zandwegen.



Binnen de kortste keren waren we niet meer van elkaar te onderscheiden: het stof had onze motorpakken, helmen en motoren een identieke kleur gegeven. Uit sympathie reden we beurtelings vooraan. Zodra we een wagen naderden, stootten we weer op een muur van stof. De zichtbaarheid werd herleid tot nul en enkel met uitgeschakeld verstand durfden we het aan een inhaalmanoeuvre te ondernemen. De oren gespitst, in de hoop een tegenligger dan toch te 'horen' aankomen. Onder deze omstandigheden legden we zo'n 100 km af tot dat de weg terug iets beter werd.

6. Ushuaia

Ushuaia bereikten we nog een uurtje later. Ik moet bekennen dat ik mij het stadje heel anders voorgesteld had. Ik verwachtte een kleine pioniersvestiging met slechts een handvol inwoners en een minimum aan faciliteiten. Een stadje aan het einde van de wereld behoorde er zo uit te zien. Dat was net heel de magie.

In tegenstelling, troffen we een heel gemoedelijk stadje aan met diverse hotelletjes, restaurantjes en een echte winkelstraat. We vonden een hotel, Cabo de Hornos, en stalden de motoren op de stoep voor de receptie, goed in het zicht. Na een verkwikkende douche en een korte siësta, begonnen we de verkenning van Ushuaia. 's Avonds begaven we ons naar een restaurantje en aten een mixed grill schotel. Tot onze verrassing troffen we er ook de vier Belgische jongelui aan, die we reeds eerder ontmoet hadden op de luchthaven in Santiago. Wat een toeval.

In een foldertje lazen we een beknopte ontstaansgeschiedenis:

De streek rond Ushuaia werd oorspronkelijk bevolkt door nomaden, jagers en fruitplukkers - Selknam en Yamanas. Zij leefden in tenten en conische hutten. Vanaf de 19de eeuw ontstonden de eerste contacten met Europese zeevaarders, oa. met de brigantijn Beagle, naar wie het kanaal achteraf genoemd werd. Op het einde van de 19de eeuw ontstond een ware gold-rush. Mensen van allerlei slag trokken hierheen op zoek naar goud en rijkdom. Om de criminaliteit, die hiermee gepaard ging, in te perken werd in 1902 een gevangenis opgericht (gesloten in 1947). Vanaf midden 20ste eeuw, kwamen veel Argentijnen, gestimuleerd door promoties van de regering naar Ushuaia. Het aantal inwoners steeg sindsdien gestaag.



De volgende dag besloten we het Nationaal Park 'Tierra del Fuego' te bezoeken. Het weer was een beetje miezerig en fris. We zouden nog een dagje in Ushuaia blijven. Er reed een treintje doorheen het park en dat leek ons wel een leuke manier van reizen. We namen een taxi tot aan de vertrekplaats en kochten tickets voor 'El Tren del Fin del Mundo'. Het was lekker warm in de compartimenten en we hadden een goed zicht op het park dat vroeger als strafkamp dienst deed. Misdadigers werden hier tewerkgesteld voor het kappen van brandhout. Het treintje bracht ons doorheen bossen en valleien en langsheen de Pipo rivier. De machinist, een Brit die het stoomtreintje onderhield en bestuurde, hield op een tweetal plaatsen halt. Terwijl de anderen de benen strekten en gingen kijken naar de Macarena waterval of naar een typisch Yamanas
kamp, vertelde hij ons met veel enthousiasme over zijn treintje.
Een kwartiertje later bediende hij de stoomfluit en keerden we terug. Een uurtje of vier later kwamen we weer aan in ons hotel.


's Anderendaags wierpen we nog een laatste blik op Ushuaia en keerden onze motorfietsen vervolgens naar het noorden. We moesten over dezelfde weg terug, een 300-tal kilometer, maar toch kregen we andere impressies en was de weg helemaal niet saai.
Even later kruisten we twee andere motorrijders. Het bleken een Duitser en een Oostenrijker te zijn, de eerste reed net zoals wij met een BMW R1150GS, de andere met een KTM LC4. De mannen waren ontscheept in Buenos Aires en dwars doorheen Argentinië hierheen gereden. Nu wilden ze eerst naar Ushuaia om achteraf nog enkele maanden doorheen Zuid-Amerika te trekken.

Toen ze ons vroegen naar onze reisroute en plannen en we deze uit de doeken deden, keken ze verbaasd op. Vier weken voor een dergelijk project was toch wel zeer weinig. We wensten elkaar in ieder geval een voorspoedige reis en startten de motoren.

Terug in Rio Grande hielden we halt voor een maaltijd. De kok smeet voor ons wat vlees op de grill en bereidde een soort hamburger. Ondanks de honger, kregen we de aangeboden hoeveelheid onmogelijk verwerkt. Daar ik onderweg wel eens terug trek zou kunnen krijgen stak ik de overschot in mijn reiskoffer. In San Sebastian staken we terug de grens met Chili over. Weer vervulden we alle formaliteiten maar deze keer kwam er een formuliertje bij. We moesten onder ede en op straffe van boete verklaren dat we geen etenswaren Chili binnenbrachten. Terwijl ik tekende, dacht ik aan de hamburger. We stapten snel op de
motoren en reden richting slagboom. Op dat moment dook echter een beambte op die ons verzocht de motoren terug stil te leggen.
Hij polste naar onze bestemming en gebaarde ons de koffers open te maken. Hij stond erop dat alle koffers geopend werden. Terwijl ik het kofferdeksel samen met het zakje waarin ik het vlees gewikkeld had en dat bovenaan lag oplichtte en snel wegdraaide, liet ik hem in de koffer kijken. Na een instemmend knikje sloot ik de boel snel terug af. We namen afscheid en spoten weg.

Nog een 170 km was het tot aan Puerto Espora in het noorden van Vuurland. Hier namen we de ferry over de Straat van Magellaan naar Punta Delgado. Vuurland lag nu achter ons.



Aan de overzijde vonden we vrijwel onmiddellijk een mooie hostal, het enige huis in een omtrek van kilometers. De zonsondergang die we er meemaakten was fantastisch: we staarden zeker een half uur
naar het kleurrijke samenspel van zon, wolken en schaduw.
Ondertussen beukte de wind op de golfplaten. Wat een sfeer.



7. Kerstmis in Puerto Natales

Na een karig ontbijt, zadelden we de paarden op (figuurlijk) en volgden we westwaarts de grens met Argentinië. De tocht voerde ons doorheen het Nationaal Park Pali Aike. Tweehonderd kilometer zonder ook maar een mens tegen te komen. Wat was dit land toch enorm groot. De wind maakt het ons weer knap lastig en meermaals scheelde het maar een haar of we stortten tegen de grond. Onze gemiddelde snelheid over de pistes bedroeg zo'n 70 km/u. De kiezel was zeer los en zodra we het smalle spoor waarin we reden verlieten, werd de moto totaal onhandelbaar.



Het park was prachtig, we kwamen hier ook de eerste guanaco's tegen, een kleinere soort lama met roodbruine pels en witte borst.
De dieren waren zeer schuw en het kostte ons heel wat moeite om er enkele op de foto te krijgen. Later op onze reis zouden we er nog honderden zien.
In de namiddag bereikten we Puerto Natales, de hoofdstad van de provincie Ultima Esperanza (Laatste Hoop) en uitvalsbasis voor de vele trektochten naar het Nationaal Park Torres del Paine of het
Nationaal Park Los Glaciares. Maria Elena had ons een adresje aanbevolen. Het was een jeugdhostal, uitgebaat door een jong Chileens koppel. De motoren werden voor de deur gestald en we namen onze intrek in een klein kamertje op de eerste verdieping.
Onmiddellijk werden we ook uitgenodigd voor een kerstfeestje dat later op de avond zou plaatsvinden. Enige voorwaarde was dat we zouden delen in de kosten. Graag!!

Reserveren in het Nationaal Park was ten zeerste aanbevolen. Het aantal refugios of slaaphutten was beperkt en in het hoogseizoen waren veel trekkers onderweg. We haalden daarom tickets af voor twee nachten. Dan was het tijd voor siësta… de rit van vandaag had heel wat concentratie gevergd en de vermoeidheid sloeg toe.
Tegen dat we weer wakker werden, was iedereen al druk in de weer. De hostal bleek inmiddels bevolkt door een internationaal gezelschap van Duitsers, Fransen, Italianen, Engelsen, Chilenen, Argentijnen, Amerikanen en Canadezen. Een groot tafellaken werd uitgespreid over de houten vloer en vrijwel onmiddellijk bedekt met de vele schotels met slaatjes, gegrild vlees, sausjes, brood, rijst, aardappelen, etc. De eerste flessen rode en witte Chileense wijn werden ontkurkt. We vleiden ons allemaal neer in kleermakerszit en tastten toe. Het werd een gezellige avond. Iedereen had het zeer naar zijn zin en het was reeds laat eer we ons in de kamers terugtrokken.


8. Nationaal Park Torres del Paine

Het ontbijt namen we de volgende dag iets later. De meesten waren al vertrokken, de shuttle naar het Park vertrok om 7 uur. Wij startten de motoren omstreeks 10 uur. Het Park lag slechts een 150-tal kilometer verder en de weg ernaartoe was alweer zeer mooi.



Bij aankomst dienden we ons, net als iedereen, in te schrijven in het register. Ten allen tijde moet namelijk geweten zijn wie zich in het Nationaal Park bevindt. Door de snel wijzigende weersomstandigheden, kan het immers zijn dat mensen tijdens hun trektochten in moeilijkheden komen.


De weg, of liever het pad naar de eerste refugio was zeer slecht en vol met gaten. Eenmaal daar aangekomen stalden we de motoren achteraan, trokken we onze stappers aan en bonden we een rugzakje op onze rug. De gemiddelde temperatuur in het Park in de zomer was 11ºC, op de thermometer lazen we 16ºC af. Vanaf nu ging het op eigen kracht verder. De weg naar onze refugio El Chileno, waar we een eerste overnachting geboekt hadden, begon eenvoudig. Naarmate we vorderden werd het pad echter steiler en onregelmatiger. Het zweet liep over onze rug. Onderweg werden we ingehaald door een bevoorradingskaravaan. Paarden droegen vlees en vaten en werden door ervaren gaucho's langsheen de steile bergwand geleid. Het pad was amper 30 cm breed, één misstap en de beestjes vielen met berijder en vracht in een 150 meter diepe afgrond. Dat gold trouwens ook voor ons. Een goede twee uur later kwamen we aan. Een hangbruggetje leidde ons tot aan de ingang. Ook hier dienden we onze aankomst te melden en konden we meteen het avondgerecht kiezen, tenminste… we konden kiezen tussen eten of niet eten. In onze kamer stonden
twee stapelbedden waarvan er één al ingepalmd was. Wij namen dus de andere. Even later kwamen onze kamergenoten binnen. Het bleken de twee Engelse meisjes te zijn die we op ons Kerstfeestje ontmoet hadden. Het avondeten… wel ja… stilde onze honger en we doken redelijk vroeg in bed. De volgende morgen zouden we de Torras overwinnen!!

Omstreeks 10 uur vatten we de tocht aan. De omgeving was werkelijk zeer mooi. De bergen rondom ons maakten een imponerende indruk. We liepen door bossen en struikgewas en sprongen over omgevallen bomen en kabbelende riviertjes. De begroeiing werd echter dunner en het pad steeds slechter naarmate we stegen. Nog even later was het volledig weg en klommen we over rotsblokken. Opletten voor verstuiking of onze verdere reis viel in duigen!! De wandelrichting werd aangeduid met verfmarkeringen. Dan werd het werkelijk zeer zwaar. Onze conditie bleek niet meer tiptop te zijn en regelmatig dienden we even op
adem te komen.

De beloning was groot, had men ons verteld, dus we zetten door.
Een goede vier uur later - we hadden constant geklommen -, bereikten we de top. Nog twee passen en we konden over de kam kijken… wauw, inderdaad… dit was fantastisch!! Daar zagen we de 2600 meter hoge Torras, drie granieten pieken met aan hun voet een gletsjermeer.

Dit was een van de bekendste bezienswaardigheden van Chili. Volgens een lokale mythe, veroorzaakte de boosaardige slang Cai Cai een gigantische overstroming om de krijgerstam die in Torres del Paine woonde, te vernietigen. Toen het water zich terugtrok, nam Cai Cai de lichamen van de grootste krijgers en veranderde ze in steen.



We namen alle tijd om foto's te maken en uit te blazen. Slechts na drie kwartier besloten we weer af te dalen en wierpen we nog een laatste blik op de Torras. De afdaling was minstens even zwaar en zeer belastend voor de knieën. Het was een hele klus om van het ene rotsblok op het andere te springen. We kwamen moe maar voldaan aan bij El Chileno. Voor de tweede nacht in het Park hadden we een refugio geboekt aan Lake Pehoe. We hadden de tocht naar de Torras - eigenlijk voorzien voor gisteren - een dagje uitgesteld. Het programma voor vandaag konden we bijgevolg ook niet meer afwerken: Lake Pehoe was nog eens een viertal uur stappen. We besloten dan maar, met enige spijt toch wel, terug te keren naar de refugio waar de motoren stonden. Twee extra uren stappen kon nog net. Toen we er aankwamen weigerden onze
voeten elke verdere dienst.
Daar we hier niet gereserveerd hadden waren er geen kamers vrij. Alle onze overtuigingskracht wendden we aan om toch maar een bed of een matras op de grond te bemachtigen. Dit scheen voorlopig niet echt te lukken tot een landgenoot ons te hulp schoot. Willy uit Hoeselt had ons bezig gehoord en sprak de uitbaters aan. In perfect Spaans en met de nodige humor kreeg hij toch nog twee bedden geregeld, in een gedeelde kamer weliswaar. Na een verkwikkende douche en een stevige maaltijd zetten we ons bij hem aan tafel. Willy had reeds heel wat van de wereld afgereisd en was een geboren verteller. Hij gaf ons nog heel wat nuttige tips voor het verdere verloop van onze reis. Terwijl we toeluisterden, kwamen even later nog Belgen binnenvallen. We konden het niet geloven… daar was weer het groepje van vier dat we reeds verschillende malen ontmoet hadden. Ze leken ons werkelijk te volgen. Dat kon toch geen toeval meer zijn??!!

9. Argentinië, over de ruta 40 

Groot was onze voldoening toen we de volgende dag weer op onze motoren konden klauteren. We verlieten het Park en reden richting Argentijnse grens. Een eenzame condor cirkelde boven ons hoofd en deed ons uitgeleide. We zouden Chili nu voor een paar dagen verlaten en onze weg doorheen de pampa's van Argentinië voortzetten. Noodgedwongen, er liepen immers geen wegen noordwaarts doorheen Chili. De grensovergang verliep weer even vlot en even later reden we op de ruta cuarenta (40). Ook deze
weg was verschrikkelijk moeilijk berijdbaar met onze zware machines. We hadden voor ons vertrek noppenbanden opgelegd en waren nu zeer gelukkig met deze keuze. Ze gaven ons toch wat meer grip op de losse kiezel. Nadeel was wel dat ze enorm snel sleten. We twijfelden er nu reeds aan of ze wel zouden meegaan tot in Santiago. De nationale route nr. 40 bracht ons tot in El Calafate, een uiterst charmant en gezellig stadje. Hoewel er geen mens te zien was (6500 inwoners), bleek het bezaaid met toeristenwinkeltjes. Het aanbod aan lederwaren was enorm en de winkeltjes waren zeer smaakvol ingericht. Enkel het gebrek aan opbergruimte weerhield ons van talrijke aankopen. Alvorens een hotelletje te kiezen, aten we een middagmaal. De chef bereidde ons een mixed grill menu. Toen hij na de vijfde gang nog aanstalten maakte een zesde te bereiden, riepen we hem tot de orde en vroegen de rekening. Tien kilo vlees de man was werkelijk genoeg :-)

Het hotelletje lag iets verder in de straat. Er waren nog kamers vrij en we trokken ons terug voor een douche en korte rust. De namiddag was nog lang niet om en we besloten naar de Moreno gletsjer te rijden. Deze lag slechts een vijftigtal kilometer verder in het Nationaal Park Los Glaciares. Dit Park is opgericht in 1937 en
beslaat 600.000 hectare. Er zouden zich zo'n 356 gletsjers bevinden waarvan Moreno de grootste en wellicht bekendste is. We kochten een ticketje aan de kiosk bij de ingang en reden verder. Op de parking stonden nog een drietal wagens. De gletsjer was bereikbaar via een houten pad met wel een driehonderdtal treden. Toen we dichterbij kwamen en een eerste glimp opvingen werden we werkelijk stil. Dit hadden we niet verwacht. De kleurenpracht en de grootsheid overvielen ons. De gletsjer was zeer uitgestrekt en wel 60 meter hoog. Voortdurend hoorden we luid gekraak en gedreun wanneer brokstukken de ijzige diepte instortten. Hier konden we uren naar kijken. Het ijs had een roze en blauwe schijn.
De laatste jaren was de gletsjer echter niet meer aangegroeid.



Op de terugweg klaarde de hemel open en brak de zon terug door. Het water in Lago Argentino, het 1600 km² grote meer ten noorden van El Calafate, leek wel groen. Terwijl de zon met bravoure ten onder ging, stoven we over de stoffige piste richting hotel. De avond sloten we af met alweer een pisco sour in de plaatselijke bar.


De volgende dag legden we 400 km af. De ruta 40 voerde ons doorheen een desolaat landschap van grassteppe en meertjes.
Ongelooflijk hoe uitgestrekt dit land was. De weg liep kaarsrecht en leek tot in het oneindige door te lopen. De tegenliggers van die dag konden we op één hand tellen. Na een sanitaire stop langs de weg - we waren nog geen restaurantje of bar tegengekomen - werden we ingehaald door een kleine bestelwagen. Een vriendelijke man sprak ons aan en nodigde ons uit hem te volgen naar zijn huis. Hij baatte er een kleine bar uit. Hier gingen we graag op in en inderdaad, een vijftal kilometer verder hield hij halt aan een kleine haciënda. Aan de ingang was een kleine ruimte ingericht met tafeltjes en stoeltjes waar hij ons verschillende versnaperingen aanbood. We dronken enkele cola's, aten een chocoladereep en wat gebak en namen afscheid. Het was niet veel maar we konden weer even verder. Aan een meer wat verderop, ontwaarden we in de verte enkele flamingo's, te ver voor foto's echter.

De namiddag was voorbij en de avond begon te vallen. De namen op de kaart bleken privé haciënda’s te zijn. Dorpjes, hotels of benzinepompen waren we tot dusver niet tegengekomen.
Naarmate het later en donkerder werd, begonnen we ons moreel voor te bereiden op een nachtje in openlucht. Ook onze benzinevoorraad begon te slinken. We hadden wel een tentje mee voor noodgevallen, maar verkozen toch nog even door te rijden. Onze hoop lichtte even op toen we een bordje 'HOTEL 10 km' zagen. Eenmaal daar aangekomen, bleek het hotel niet meer te bestaan. Wat er overbleef was een afgebrande ruïne. Een van de motoren kon ondertussen elk ogenblik afslaan. Zeer vermoeid kwamen we omstreeks 21.30u toch nog een hotelletje tegen. De kamers konden er maar net door en in de douches zouden we geen stap wagen maar geen van ons beiden wilde nog verder. We sloegen ons kamp op in Bajo Caracoles en aten een zeer karig avondmaal. De slaap liet niet lang op zich wachten.


Het hotelletje beschikte over een benzinepomp. 's Morgens werd Eddy's motor weer van de nodige levenssappen voorzien. Ik kon nog even verder. Ik had de motor namelijk uitgerust met een benzinetank van 41 liter, goed voor een reikwijdte van 720 kilometer. De rit die daarop volgde was wellicht een van de mooiste. We weken terug af naar het westen en zouden de grens met Chili aan de Paso Rodolfo Raballos overschrijden in plaats van aan het meer gebruikelijke Chile Chico.


De natuur was betoverend, we kwamen ogen te kort. Een gordeldier kruiste ons pad en werd even te voet achterna gezeten voor een fotoshoot. Even verder stootten we op een familie struisvogels. De dieren schrokken en spurtten weg. In plaats van de weg te verlaten bleven ze echter voor ons uit rennen. We
hielden dan maar even halt en lieten de beesten ontsnappen.


Nog even verderop kwamen we terecht in een reusachtige kudde schapen. Gedreven door een meute honden en een drietal ruiters staken zij het pad over en belemmerden ons de doorgang. We legden voor enkele minuten de motoren stil en genoten van het schouwspel.


De omgeving werd ondertussen terug groener en nog even later bereikten we de grens. Vreemd, deze bestond slechts uit een kleine slagboom aan een klein gebouwtje. We stapten af en werden meteen begroet door een tamme guanaco (lama) en een sympathiek keffertje. We namen onze papieren en liepen het
bureeltje binnen. De douanebeambte keek een beetje verbaasd op maar ging onmiddellijk aan de slag. Dit keer tekende ik zonder wroeging de verklaring geen voedsel mee het land in te brengen.
Ondertussen kreeg ik plots de lama in het oog. Deze scheen bijzonder veel interesse te hebben in de tent en frunnikte kennelijk tevreden aan de beschermhoes.


Toen ik naar buiten liep om het dier weg te jagen, keek de beambte geamuseerd. De kleine lama zelf stelde de speekselklieren in werking en gromde gevaarlijk. Ach ja, we zouden de tent waarschijnlijk toch niet nodig hebben… en het was niet de mijne… doe maar verder jongen!

10. De Carretera Austral

Een zeventig kilometer verder westwaarts bereikten we de Carretera Austral, de door Pinochet aangelegde weg tussen noord en zuid, dwars door dichte bossen en wouden. De laatste hand aan deze weg werd gelegd in 1988.


Vanaf nu waren we verlost van het losse grind. In de plaats kregen we echter calamina's (wasbordwegen) te verwerken. Wanneer we na bepaalde stukken van de motoren stapten, bleven we nog een 10-tal minuten natrillen. Het droge, schrale en kleurloze van het zuiden had voorgoed plaats gemaakt voor groene vegetatie en kleurrijke flora. In El Maiten, vlakbij het Lago General Carrera, vonden we drank en snoepgoed. Het begon voor mij nu ook stilaan tijd te worden voor een tankbeurt maar ook hier was geen pomp te bespeuren. We vervolgden onze weg over de Carretera Austral en genoten van het rijden en het landschap… tot mijn motor na een korte rochel de geest gaf. Het ding wou niet meer starten. We hevelden benzine over en konden weer verder. Nog éénmaal moesten we dit herhalen voor we tot onze vreugde een pomp tegenkwamen. In Puerto Murta besloten we te overnachten. Er lag een simpele maar propere hostal waar we een plaatsje vonden. De heer des huizes wees ons een stalling voor de motoren en verplaatste zijn wagen. De gastvrouw bereidde een smakelijke maaltijd. Terwijl we aten, hadden we een conversatie met een vriendelijk ouder Chileens koppel, eveneens te gast hier. Het werd een interessant gesprek over reizen, cultuur en politiek.

's Morgens zou het koppel de nabijgelegen marmergrotten (Catedral de Marmol) bezoeken, wij moesten weer verder. Even voorbij Vista Hermosa stopte ik voor een foto. Terwijl ik de camera scherp stelde, riep Eddy van ver dat de achterste band van mijn motorfiets plat stond. Ik had nog niet echt iets gevoeld bij het
rijden. We gebruikten een CO² ampul om de band weer op druk te brengen. Het volgende stadje, Coihaique, lag niet veel verder en ik geraakte er zonder verdere problemen. Hoewel het zondag was,
vonden we toch een garage waarvan de poort openstond. Een man kwam op ons toe, toen we naar binnen gluurden. Het duurde even eer we hem konden duidelijk maken wat ons probleem was, maar toen hij het eenmaal door had bood hij onmiddellijk zijn hulp aan.
Het wiel werd afgelegd, de band verwijderd en het plakwerk begon.
De man nam zijn tijd maar op een vrije dag wilden we hem niet opjagen. Hij leverde uitstekend werk en we lieten hem een vette fooi na bij het afscheid.



Coihaique, in originele betekenis 'vestiging tussen wateren', bleek een leuk stadje. We vonden een hotel in de hoofdstraat, Hotel Luis Loyola, en namen onze intrek. Even later waren we al op verkenningstocht.


Toen we op straat liepen, hoorden we plots een luid geclaxonneer en zagen het Chileense koppel voorbij rijden. We zwaaiden enthousiast terug en wandelden verder. In de reisgids stond dat er hier een bar moest liggen waar de beste 'empanadas de manzana', Chileense appelflappen opgediend werden. Het duurde niet lang voor we Café Oriente gevonden hadden en we konden de stelling achteraf alleen maar beamen. In de namiddag reden we nog even naar Puerto Aisén om naar de bekende hangbrug te kijken. Rond een uur of tien 's avonds werden we op de kamer gebeld: de receptionist gaf ons de raad om de motoren toch maar binnen te zetten. We hadden ze nu vlak voor het hotel op de stoep gestald.
We hadden nergens een garage gezien maar gingen toch een kijkje nemen. Tot onze verbazing had de man de receptie omgebouwd: de planten waren aan de kant geschoven, de tapijten opgerold en de zetels verzet. Hij maakte ons duidelijk dat we de machines mochten binnenrijden. Vooruit dan maar.

Van Coihaique ging het verder noordwaarts over de Carretera Austral. Toen we langs de Rio Cisnes reden, bemerkten we aan een stroomversnelling springende zalmen. De vissen waren enorm groot, vandaar dat we ze reeds vanaf de weg bemerkten. Met explosieve kracht sprongen ze zo'n anderhalve meter uit het water
om dan hogerop weer in de stroming neer te ploffen. Sommige konden hun reis dan verderzetten, de meeste echter moesten deze oefening nog enkele keren herhalen.
Het Nationaal Park Queulat, een regenwoud met een jaarlijkse neerslag van 4000 mm en een gemiddelde temperatuur van 7ºC had zijn naam niet gestolen... zodra we er binnenreden begon het te regenen. Alles zag er ontzettend groen en de planten en bomen leken er twee maal zo groot als elders. We zagen reuzevarens en het reuzenhoefblad. Hoewel het regende stoorde dit ons niet. Het woud maakte echt een speciale, geheimzinnige indruk, mede veroorzaakt door de vochtige nevel.



Nadat we het sprookjeswoud verlaten hadden, begon het feller te plenzen. Het water viel er nu werkelijk met bakken uit en ontnam ons de lust tot rijden. We moesten echter nog een goed stuk verder.
Het was oudejaar en vanavond wilden we toch wel iets speciaals doen. Toen we aan een kleine huizenvestiging stopten en bij de plaatselijke kruidenier wat drank en chocolade kochten, bemerkten
we een reclameposter aan de muur. Aan het Lago Puyuguapi, hier vlakbij, lag een luxueus kuuroord, opgetrokken uit hout en voorzien van warmwaterbronnen. Dit leek ons een ideale bestemming om
Nieuwjaar te vieren. Het hotel was enkel te bereiken via een veerboot, dus namen we de telefoon ter hand. De receptioniste vertelde ons, tot onze teleurstelling, dat het hotel volgeboekt was.
Brute pech, het was te mooi geweest. Dan maar verder.

Even verder stond een gedenkteken aan Pinochet, de man die de Carretera Austral liet aanleggen.

Het duurde nog twee uren eer we bij toeval aan een geïsoleerd hotel in La Junta aankwamen. Op hoop van zegen... we waren de regen nu echt grondig beu. Hoera, er was nog een kamer vrij, een behoorlijke kamer zelfs, met alle luxe. De motoren mochten onder een houten stalling. "Weten jullie...", zei de man toen hij naar onze druipende pakken keek, "er bestaan tegenwoordig speciale pakken uit goretex materiaal, die zouden volkomen waterdicht zijn!" Wat dacht hij dan dat we droegen? Een hete douche knapte ons weer helemaal op. We schreven ons in voor het Nieuwjaarsfeestje en bestudeerden in afwachting de wegenkaarten voor de volgende dagen. Er kwam nog wat volk toe, enkele nieuwe gasten maar ook een groepje dat later naar het
kuuroord verder moest. We raakten aan de praat met twee Argentijnen, een vader en zoon, samen op reis.

Het aperitief werd opgediend en de eerste hapjes aangereikt. De hoofdmaaltijd was zeer lekker. We aten dat het een lieve lust was en genoten ondertussen van een lekker wijntje. Het werd geen wilde party maar uiteindelijk toch een gezellige Nieuwjaar.

De volgende dag, op 1 januari, trokken we verder naar Chaitén. We wilden hier de oversteek maken naar Isla Grande de Chiloé, het op één na grootste eiland voor de Zuid-Amerikaanse kust. De veerboten vaarden vandaag niet uit, wat wel een beetje te verwachten was, dus boekten we weer een ander hotelletje. Het
was nog maar net middag maar we konden nu eenmaal niet verder. Het stadje had helemaal niets te bieden, we maakten dan maar een klein ritje naar Caleta Santa Bárbara, een piepklein vissersdorpje met een mooie sikkelvormige baai, iets noordelijker. Hier zagen we ook de 2404 meter hoge Michinmahuida vulkaan
met zijn witte kap.
Terug in het hotel botsten we, tot onze blijde verrassing, op het Chileense koppel. We konden onze conversatie voortzetten en wisselden tussentijdse ervaringen uit.




11. Isla de Chiloe

Een dag later, reeds vroeg in de morgen, kochten we tickets voor de overzet en begaven we ons naar de kade. Aan de loketten zagen we onze Argentijnse vrienden terug. Ze hadden met hun pick-up wagen eveneens de Carretera gevolgd en wilden nu naar het eiland.
Even later stopte er een enorm gevaarte. Het was een grote bus met trailer, een rijdend hotel. Het spuwde een verzameling Duitse toeristen van middelbare leeftijd uit. De chauffeur was een Oostenrijker. Hij kwam een praatje met ons maken en scheen blij eens andere mensen te spreken. De toeristen hadden interesse in
onze machines en onze navigatiesystemen. Ondertussen was de boot uit Quellón aangekomen en konden we inschepen. De chauffeur van de bus gaf een staaltje van zijn rijkunst weg en manoeuvreerde op een tiental minuten de bus het ruim in. De overtocht duurde een 2 tal uren.



Het Isla de Chiloé viel eigenlijk een beetje tegen. Het landschap was weinig spectaculair. Terwijl vroeger, net zoals op het vasteland, het oerwoud overheerste, had de eeuwenlange kaalslag (houtwinning en landbouw) de grond uitgeput en erosie veroorzaakt. We reden naar Castro, gelegen in het midden van het eiland. In de reisgids vonden we weer enkele adresjes waar we er eentje van uitkozen, Casa Kolping. Eigenlijk hadden we tot zover steeds gemakkelijk onderkomen gevonden. Bijna nergens waren we afgewezen. Ook hier was dit niet anders.

In het centrum van Castro vonden we een schitterend Franciscaans kerkje. De Iglesia San Francisco was volledig uit hout, zonder ook maar één nagel, opgebouwd en aan de buitenzijde in gele en
ijsblauwe pastelkleuren geverfd. Het dateerde van 1902. Ook binnen stond ons een prachtig decor te wachten. Vakmanschap troef.



's Avonds kozen we voor Sacho, een restaurantje dat aanbevolen werd voor zijn schelpdieren en gevulde krab, de lekkerste van het eiland. De cipola smaakte inderdaad voortreffelijk.
Het oliepeil van de motor stond laag, dus ging ik 's morgens op zoek naar wat olie. Toen ik terug bij de motor kwam bemerkte ik een briefje op het stuur. Het bleek een uitnodiging te zijn om die avond op de lokale televisie verslag te komen uitbrengen van onze reis. Doordat we andere afspraken hadden en weer verder moesten, sloegen we dit af. Ons vierwekenprogramma moest strikt gevolgd worden wilden we tijdig in Santiago aankomen. Dikwijls hadden we anders gewild. Twee politieagenten, op lichte 250cc enduro motoren, begeleidden ons tot aan een tankstation. Ze hadden ons zien vertrekken en kwamen naast ons rijden, vriendelijk gesticulerend. Terwijl we de benzinetanks vulden, maakten we een kort praatje.


12. Puerto Montt, Puerto Varas 

Ten noorden van het eiland, in Ancud, staken we weer over naar het vasteland. Puerto Montt lag voor ons. Dit was de grootste stad die we tot zover met de motor doorkruist hadden. Het was een ietwat vreemde stad met houten, veelkleurige rijwoningen die uit meerdere verdiepingen bestonden. We hadden gehoord van de Angelmó vissershaven en zochten deze op. De weg ernaartoe was geflankeerd met souvenirwinkels en goedkope pensions. Hier heerste werkelijk een drukte van jewelste. Er waren verschillende marktjes met smakelijke vruchten, groenten en vis en temidden deze marktjes kleine cantinas, restaurantjes waar deze producten onmiddellijk geproefd konden worden. Je werd als het ware de zaakjes binnengesleurd. We kozen er eentje uit aan het water en lieten ons verse vis opdienen.



Weer inwendig gesterkt, zetten we koers naar Puerto Varas waar we 's namiddags met Maria Elena hadden afgesproken. Een terrasje aan het Lago Llanquihue met zicht op de Osorno vulkaan leek ons een geschikt stekje. Maria Elena kwam ons even later opzoeken.
Het was een aangenaam treffen. Vreemd, we hadden gedurende maanden met elkaar gecommuniceerd en nu zagen we elkaar in levende lijve. Na enkele drankjes moest ze weer verder, ze was een groep Amerikaanse toeristen aan het gidsen. We spraken wel af om 's avonds iets te gaan eten. Nog snel organiseerde ze een
verblijfplaats voor ons. Carsten, een Duitse vriend, wees ons de weg. Puerto Varas was een stadje naar Europese normen. De invloeden van Duitse kolonialisatie waren onmiskenbaar. Het stadje was enorm proper en echt op toerisme gericht. Overal waren leuke boetiekjes en gezellige restaurantjes. Op het marktpleintje speelden bandjes live muziek. Het zaakje waar we afgesproken hadden, was eigendom van een vriendin van Maria Elena. We dronken er pisco sour, namen een eenvoudige maaltijd en hadden heel wat te vertellen.


De volgende dag zouden we gaan wildwatervaren op de Rio Petrohué. 's Morgens bracht een busje ons naar de rivier. Er werd halverwege haltgehouden om de boot op te halen en dan volgde een tocht over ontzettend slechte wegen en door dichte begroeiing.
We waren in het totaal met een 8-tal personen, het merendeel Duitsers. Eenmaal ter plaatse kregen we allemaal een wetsuit, een helm en een zwemvest. We zagen er uit als clowns, maar het pak zou ons in ieder geval warm houden. De begeleider gaf ons de nodige instructies en veiligheidsvoorschriften, vroeg of we klaar waren voor het avontuur en daar gingen we dan...
Het eerste gedeelte verliep redelijk rustig. Waar bleven die stroomversnellingen? Wij wilden actie!!! Vanaf het eerste moment dat we te water waren gegaan, werden we lastiggevallen door grote kevers. Deze 3 cm grote beestjes vielen ons aan in zwermen van wel 500 en beten waar ze maar konden. De beten waren
onschadelijk en zouden ook geen zwellingen veroorzaken maar waren wel knap vervelend. Het gelaat, de handen en de enkels waren doelwit. Op 10 minuten tijd lag de bodem van de boot al vol met doodgemepte kamikaze kevers maar we hadden niet de indruk dat hun aantallen afnamen. Gelukkig naderden de eerste ruige stukken en konden we ons concentreren op de rivier. De gids liet ons afwisselend links en rechts peddelen en laveerde ons langs de rotsblokken in het water. Ondertussen werden we wild op en neer
geworpen. Leuk, dit is wat we wilden. Vanaf nu volgde de ene hindernis na de andere en werd de teamgeest steeds sterker. Op een bepaald ogenblik kwamen we in een kolk terecht die we echt niet meer de baas konden (opzettelijk??). Op een fractie waren we twee man kwijt. De overblijvers waren volledig het noorden kwijt... wat was voorzijde, wat was achterzijde, wat was boven, wat was onder? De luttele seconden leken een kwartier en toen we er eindelijk doorheen waren, viel onze blik op een breedsmoelende
gids. Hij had er duidelijk veel plezier in. Wat verderop dreven de twee ongelukkigen, met de voeten stroomafwaarts zoals ons geïnstrueerd was. Ze werden weer opgepikt en er werd kort haltgehouden aan de oever. De mensen die even wilden zwemmen konden dit hier doen. Om van de vervelende kevers verlost te zijn, sprongen we allemaal vrijwel onmiddellijk in het water. De tocht werd een 10-tal minuutjes later hervat en eindigde nog een halfuurtje later. We hadden ons allemaal goed geamuseerd en om dit te vieren werden enkele flessen gekraakt. De gidsen staken een vuurtje aan om de insecten weg te houden. Dan ging het weer
terug naar Puerto Varas.

's Namiddags besloten we een ritje om het Lago Llanquihue te maken. Daar waren we 4 uur mee zoet. We reden onder andere tot aan de voet van de 2652 meter hoge vulkaan Osorno, tot de weg, althans voor onze motoren, te smal en te slecht werd. Dan ging het verder naar Puerto Octay en Frutillar. Het was alweer een mooie zonnige dag en we genoten intens. 's Avonds hadden we weer afspraak met Maria Elena en Carsten.
Na deze tweede leuke avond, was het tijd voor afscheid. We dankten Maria voor alle hulp bij de voorbereiding van onze reis en lieten enkele geschenkjes achter. We zouden verder ook contact
blijven behouden.

13. Villarica, Temuco, San Antonio

Villarica was onze volgende bestemming. We passeerden echter eerst nog Osorno en Valdivia, waar we even stopten voor een koffiepauze. Aan de Plaza de Armas vonden we een mondaine koffiebar en namen we plaats. Toen we er al even zaten, hoorden we plots een luid getoeter. Het rijdende hotel bulderde door de straat. De chauffeur had onze motoren herkend en bracht een groet uit. De rust keerde meteen weer. De vulkaan Villarica is de grootste en wellicht bekendste vulkaan van het land. We hadden ze reeds vanuit de lucht gezien toen we van Santiago naar Punta Arenas vlogen maar van op de grond leek ze veel groter. De 2840 meter hoge top was bedekt met eeuwige sneeuw. Een dankbaar onderwerp voor een fotoshoot.

In Temuco bleven we overnachten. Vanaf hier bracht de Via Panamericana ons verder naar het noorden. Deze weg, die helemaal tot in Alaska doorloopt, was verhard waardoor we vanaf nu veel sneller vorderden. Bij een tankstop ontmoetten we nog enkele motorrijders. Twee Spanjaarden op een GS en een Africa
Twin, waren al 6 maanden onderweg. Zij waren in Alaska vertrokken en via de Panamericana helemaal tot hier gereden. Even later stopte ook nog een Brits meisje op een DR 650, ook reeds 8 weken en helemaal alleen onderweg. Weer verbaasde gezichten toen we uitlegden wat wij daar deden. We namen hartelijk afscheid en reden door. In totaal hadden we op onze reis nu al een tiental motoren gezien, zeer weinig dus.



Via minder interessante wegen kwamen we in San Antonio terecht, een kleine haven ten zuiden van Valparaiso. Het was reeds valavond toen we de stad binnenreden. Onze zoektocht naar een hotel duurde redelijk lang. San Antonio maakte een bedreigende indruk. Waarschijnlijk was dit maar een indruk maar de mensen leken stuk voor stuk van het criminele slag en we voelden ons niet echt veilig. We kwamen op de idee een taxi te doen stoppen. Zijn wegbeschrijving begrepen we niet, dus vroegen we hem voor ons
uit te rijden tot aan het hotel. Dat deed hij en met zijn hulp vonden we een, weliswaar niet erg verzorgd, motelletje. Goed genoeg voor één nacht, dachten we.

14. Valparaiso

Valparaiso, de haven van waaruit we onze motoren zouden terugzenden, bereikten we de volgende dag. Valparaiso is de belangrijkste havenstad van Chili. De stad is indrukwekkend gebouwd op de hellingen van 45 heuvels, heeft een wirwar van steegjes en is bekend om de vele liften en kabelbanen. Er staan
kleurrijke barrakjes maar ook gebouwen met een schitterende architectuur. We zochten meteen de expeditie op die ons vermeld was maar moesten een uurtje wachten alvorens toegang te verkrijgen. We deden enkele telefoontjes heen en weer en na controle van de papieren mochten we uiteindelijk het havengebied binnen. De rest van de namiddag spendeerden we ter plaatse. We werden naar verschillende kantoortjes gestuurd en dienden heel wat papierwerk te vervullen. Een jongeman, die voor de expediteur vertaalwerk verrichtte, bood ons zijn diensten aan als tolk. Hij nam ons ook mee naar de verschillende diensten en regelde de
administratie. Het werd reeds later en de activiteiten voor die dag werden gestaakt. Hier viel vandaag niets meer te verrichten. De motoren bleven daar, wij namen een taxi naar Vina del Mar, de grootste en bekendste vakantieplaats van Chili even boven Valparaiso. Daar logeerden we in een leuk familiepension, een prachtig oud houten huis met kamers voorzien van stijlmeubels.
Het lag niet ver van het centrum en werd uitgebaat door een kwieke oudere dame.


De volgende dag brachten we weer door bij de expediteur. Nog meer papierwerk diende vervuld en de motoren moesten ingekrat worden. Dit was de laatste dag om alles geregeld te krijgen. Door deze tijdsdruk en het tempo van deze mensen, werden we redelijk zenuwachtig. Hen opjagen had echter een averechts effect, we trachten dus terug te kalmeren. In ieder geval, de papierkraam raakte afgehandeld en twee jongens maakten aanstalten een kist te bouwen. We demonstreerden hen hoe de motoren moesten staan,
lieten benzine af, ontkoppelden de batterij en stelden ze op de grondplaat. Met allerlei afvalhout werd het geheel dichtgetimmerd en om schade te voorkomen, werden tussen de motoren luchtzakken gestoken. Voila, de zaak was afgehandeld. Met wat geluk zouden we de machines na 5 weken terug zien!!!



De rest van de namiddag spendeerden we nog in Valparaiso, met een somber gemoed weliswaar. De reis zat er nu werkelijk op. Het mooie liedje was uit.


Een taxi bracht ons van Vina del Mar naar de busterminal van Valparaiso. Daar namen we een bus naar Santiago, zo'n 120 kilometer verder en aansluitend nog een shuttle naar de luchthaven.
Onze vlucht hadden we een uurtje later en nog zo'n 10 uren later landden we in Madrid.
Uit een bankautomaat haalden we onze allereerste euro's en weer een uurtje later waren we op weg naar Brussel.

De motoren werden vijf weken later afgehaald in Antwerpen, in prima staat.

Luc Nolf  -  Eddy Houba

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen